Geld is een collectieve afspraak. Een biljet van 50 € heeft op zichzelf geen waarde — het is papier. Het heeft waarde omdat we allemaal hebben afgesproken dat het waarde heeft, en dat is voldoende om het te laten functioneren als ruilmiddel.
Vóór het bestaan van geld gebruikten mensen ruilhandel: je ruilde rechtstreeks wat je had voor wat je nodig had. Het probleem was dat je om brood te kopen iemand moest vinden die precies had wat jij aanbood. Geld loste dat op: het is een universeel tussenmiddel dat iedereen accepteert.
Als je een kilo appels hebt en melk wilt, moet je bij ruilhandel iemand vinden die melk heeft én appels wil. Met geld verkoop je je appels aan wie dan ook en gebruik je dat geld om melk van wie dan ook te kopen. Veel eenvoudiger.