In de vorige module leerde je dat Asset Allocation je portefeuille in drie blokken verdeelt: vastrentende waarden, aandelen en alternatieve activa. Nu gaan we kijken wat elk ervan is. We beginnen met vastrentende waarden: je geld uitlenen aan een instelling — een overheid of een bedrijf — in ruil voor terugbetaling op een afgesproken datum plus vaste rente. Het heet 'vastrentend' omdat je van tevoren weet hoeveel je ontvangt en wanneer. Het is de meest voorspelbare beleggingscategorie, maar ook niet zonder risico — als degene die het geld leende failliet gaat, kun je een deel of alles verliezen.
Twee hoofdtypen:
- Staatsschuld (staatsobligaties en kortlopende staatspapieren): Je leent geld aan een land. Dit zijn de veiligste beleggingen ter wereld: de kans dat een stabiele overheid je niet betaalt is zeer klein. Het rendement is dan ook doorgaans laag.
- Bedrijfsobligaties: Je leent geld aan particuliere bedrijven. Omdat het faillissementsrisico van een bedrijf groter is, betalen bedrijven je meer rente als compensatie. Hoger rendement, hoger risico.
Je koopt staatsobligaties met 3,5% per jaar. Je leent 1.000 € aan de staat. Na een jaar geeft de staat je 1.035 € terug. Als je in plaats daarvan leent aan een middelgroot bedrijf met 6% per jaar, verdien je meer — maar accepteer je het risico dat dat bedrijf problemen kan hebben met betalen.
Verderop is er een module gewijd aan vastrentende waarden, waar je alle instrumenten in detail ziet, hoe ze worden gewaardeerd en hoe ze in een portefeuille passen.